Rijontzegging snelheid

U heeft te snel gereden en bent geflitst of staande gehouden door de politie. Een stevige snelheidsovertreding kan u al snel een rijontzegging van enkele maanden opleveren. Gelukkig kan een gespecialiseerde advocaat vaak het verschil maken.

Klik op de tabel hiernaast om te zien welke straf u te wachten staat bij een grove snelheidsovertreding. Moet u voor de Kantonrechter of Officier van Justitie verschijnen, laat u dan adviseren en bijstaan door onze ervaren rijbewijsadvocaten. U maakt dan een grotere kans dat de rijontzegging sterk kan worden beperkt.

contact opnemen

Waarom een advocaat?

Wie moet verschijnen bij de Officier van Justitie of Kantonrechter doet er verstandig aan om zich door een gespecialiseerde advocaat te laten bijstaan. Wat zijn de voordelen?

De voordelen van het inschakelen van een advocaat bij een snelheidsovertreding:

  • Inzicht in het proces verbaal
  • Beoordeling van de meting van de snelheidsovertreding
  • Een goede voorbereiding op de zitting bij Kantonrechter of OM-zitting
  • Van tevoren weten welke vragen u krijgt en wat u het beste wel en niet kan zeggen.
  • Bijstand ter zitting door een ervaren specialist
  • Beoordeling uitspraak Kantonrechter of voorstel Officier van Justitie
  • Advies over Hoger Beroep of verzet tegen de Strafbeschikking.
Meer weten?

Hoge snelheid? Rijbewijs ingevorderd!

Heeft u meer dan 50 kilometer per uur te snel gereden, dan moet de politie uw rijbewijs ter plaatse invorderen. U mag niet meer rijden en kunt rekenen op maanden zonder rijbewijs. Met de hulp van een advocaat bent u snel weer op weg.

Bent u door de politie aan de kant gezet en heeft u de snelheid met meer dan 50 kilometer overschreden? In dat geval wordt direct uw rijbewijs ingevorderd. De politie stuurt het rijbewijs op naar de Officier van Justitie die binnen 10 dagen een beslissing moet nemen of hij het rijbewijs aan u teruggeeft. Bij overschrijdingen met 50 kilometer per uur of meer, blijft het rijbewijs altijd minimaal twee maanden ingevorderd. Vanaf een overschrijding met meer dan 70 kilometer per uur, of wanneer het niet de eerste keer is, kunt u rekenen op een inhouding van het rijbewijs voor vier maanden. Ging het nog harder of is er sprake van meerdere geregistreerde snelheidsovertredingen in de afgelopen twee jaar. Dan loopt het aantal maanden rijontzegging snel op. Gelukkig kan een gespecialiseerde advocaat u helpen om de rijontzegging zo beperkt mogelijk te houden. Bent u bang dat aan u een lange rijontzegging gaat worden opgelegd of is uw rijbewijs ingevorderd. Neem dan vandaag contact met ons op. Wij helpen u snel weer op weg.

Neem contact op

Artikel 21 RVV maximumsnelheid in de Wet

In de Wegenverkeerswet zijn de verboden gedragingen opgenomen en de sancties die daar op staan. In artikel 21 van het RVV staat de maximumsnelheid voor diverse voertuigen opgenomen.

Artikel 21 RVV: Maximum snelheid

Buiten de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden:

a. voor motorvoertuigen op autosnelwegen 130 km per uur, op autowegen 100 km per uur en op andere wegen 80 km per uur;

b. voor bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor:

1. op het fietspad of het fiets/bromfietspad 40 km per uur;

2. op de rijbaan 45 km per uur;

c. voor gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een motor, en snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet op het trottoir of het voetpad 6 km per uur.

 


Strafbepalingen Wegenverkeerwet

In de artikelen 175 tot en met 178 van de Wegenverkeerswet staan de straffen opgenomen voor verkeersovertredingen en misdrijven.

 

Artikel 175

  • 1. Overtreding van artikel 6 wordt gestraft met:

    • a. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

    • b. gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

  • 2. Indien de schuld bestaat in roekeloosheid, wordt overtreding van artikel 6 gestraft met:

    • a. gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

    • b. gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie, indien het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

  • 3. Indien de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, of indien het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, dan wel zeer dicht achter een ander voertuig is gaan rijden, geen voorrang heeft verleend of gevaarlijk heeft ingehaald kunnen de in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraffen met de helft worden verhoogd.

 
  • Artikel 176

     
  • Artikel 177

     
  • Artikel 178

    • 1. De in de artikelen 175 en 176 strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.

    • 2. De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

     
  • Artikel 179

    • 1. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 6, 7, eerste lid, 8, 9, 162, derde lid, of 163, tweede, zesde, achtste of negende lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.

    • 2. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van de artikelen 5, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 41, eerste lid, 51, eerste lid, 61, 74 of 114, dan wel van de eigenaar of houder van een motorrijtuig of een aanhangwagen wegens overtreding van artikel 165, eerste lid, of artikel 166, eerste lid, kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

    • 3. Bij veroordeling van de bestuurder van een motorrijtuig wegens overtreding van het bepaalde krachtens deze wet kan hem in die gevallen, waarin dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

    • 4. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in het eerste lid genoemd, nog geen vijf jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.

    • 5. Indien tijdens het plegen van een der strafbare feiten in het tweede lid genoemd of krachtens deze wet aangewezen, nog geen twee jaren zijn verlopen na het einde van de tijdsduur waarvoor bij een vroegere onherroepelijke veroordeling wegens een van die strafbare feiten of wegens een der in het eerste lid bedoelde strafbare feiten de betrokkene de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, kan hem die bevoegdheid voor ten hoogste vier jaren worden ontzegd.

    • 6. Bij het opleggen van de bijkomende straf, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, wordt de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering gebracht.

    • 7. Voor de toepassing van dit artikel wordt met de bestuurder van een motorrijtuig gelijkgesteld degene die overeenkomstig de in artikel 1, eerste lid, onderdeel n, bedoelde voorwaarde geacht wordt het motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de bestuurder te besturen.

    • 8. Voor de toepassing van het zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.

    • 9. Voor de toepassing van dit artikel wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.

    • 10. Voor de toepassing van het vierde onderscheidenlijk het vijfde lid, wordt onder vroegere onherroepelijke veroordeling mede verstaan een vroegere onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens feiten soortgelijk aan de feiten, bedoeld in het vierde onderscheidenlijk het vijfde lid.

     
  • Artikel 179a

    • 1. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 287 of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste tien jaren worden ontzegd.

    • 2. Bij veroordeling wegens een der in de artikelen 285, 301, 302 of 303 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven kan de schuldige die het feit heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde of deed besturen, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor ten hoogste vijf jaren worden ontzegd.

    • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een strafbeschikking met een veroordeling gelijkgesteld.

     
  • Artikel 180

    • 1. Voor wat betreft de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is artikel 557, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op rechterlijke uitspraken niet van toepassing. Een strafbeschikking houdende deze bijkomende straf is in zoverre eerst voor tenuitvoerlegging vatbaar als geen verzet meer kan worden gedaan.

    • 2. De rechterlijke uitspraak of strafbeschikking is voor wat betreft de bijkomende straf niet voor tenuitvoerlegging vatbaar, zolang de termijn waarvoor de veroordeelde bij een andere rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, nog niet is verstreken.

    • 3. Indien de rechterlijke uitspraak of strafbeschikking voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, geschiedt de tenuitvoerlegging niet dan nadat aan de veroordeelde in persoon een schrijven is uitgereikt, volgens de artikelen 587 en 588 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot inlevering van het rijbewijs uiterlijk op dat tijdstip, alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering worden medegedeeld.

    • 4. De houder van een rijbewijs is, tenzij het is ingevorderd en niet is teruggegeven, verplicht dat rijbewijs in te leveren op het parket van het openbaar ministerie vanwaar hij het schrijven, bedoeld in het derde lid, heeft ontvangen, uiterlijk op het tijdstip van ingang van de ontzegging.

    • 5. Teruggave vindt plaats zodra de termijn van de ontzegging is verstreken. Geen teruggave vindt plaats ten aanzien van het rijbewijs of de rijbewijzen waarvan ingevolge een der artikelen 130, tweede lid, of 164 de overgifte is gevorderd, waarvan ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering is gevorderd, ten aanzien waarvan ingevolge een der artikelen 120, derde lid, 124, vierde lid, 131, tweede lid, onderdeel b, 132, vijfde lid, 132b, tweede lid, 134, vierde lid, of 180, derde lid, een verplichting tot inlevering bestaat. De officier van justitie geleidt in deze gevallen het rijbewijs of de rijbewijzen door naar degene bij wie de houder dat rijbewijs of die rijbewijzen had dienen in te leveren. Indien het rijbewijs op grond van artikel 123b ongeldig is dan wel indien een aantekening is geplaatst als bedoeld in dat artikel, geleidt de officier van justitie het rijbewijs of de rijbewijzen door naar de Dienst Wegverkeer.

    • 6. De termijn van ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt van rechtswege verlengd met het aantal dagen dat is verstreken tussen het tijdstip waarop het rijbewijs ingevolge het vierde lid had moeten worden ingeleverd en het tijdstip waarop nadien die inlevering heeft plaatsgevonden.

    • 7. De termijn van de ontzegging wordt voorts verlengd met de tijd dat de veroordeelde gedurende de ontzegging rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

    • 8. Voor de toepassing van het derde, vierde, vijfde en zesde lid wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is.